Werkwoorden

Voor veel jonge Nederlanders en zeker ‘nieuwe’ Nederlanders is de werkwoordspelling een mega-probleem. Vooral die verrekte -dt zit hele volksstammen dwars. Is het nou ‘jij snijd’ of ‘jij snijdt’. ‘Snijdt hij’ of ‘Snijd hij’. Zelfs bij het voltooid deelwoord zit de ellendige -dt sommigen in het hoofd. ‘Het werk is voltooid’ of ‘Het werk is voltooidt’. Kies zelf maar.

De regels zijn eigenlijk best duidelijk.
In 1e, 2e, en 3e persoon meervoud is er nooit iets aan de hand. ‘Wij, jullie en zij’ krijgen allemaal dezelfde uitgang. ‘Wij lopen, jullie lopen, zij lopen’, ‘Wij snijden, jullie snijden, zij snijden’. Zelfde als het werkwoord. Simpel toch.

De 1e persoon enkelvoud, de ik-vorm, is ook eenvoudig. ‘Ik loop nu naar huis’, ‘Loop ik nu naar huis?’
Na de stam, het werkwoord zonder -en, komt hier niets, dus ook geen -t. In het geval van het werkwoord lopen is de stam overigens niet ‘ lop’ maar ‘ loop’, om de lange oo-klank te behouden. Andere voorbeelden: roken-rook, praten-praat, telen-teel, klunen-kluun.

De 3e persoon enkelvoud, hij/zij/het , is ook geen probleem. ‘Hij/zij/het loopt’ of ‘Loopt hij, loopt zij, loopt het?’ Na de stam, het werkwoord zonder -en, komt altijd een -t! Dus ook bij werkwoorden met een -d in de stam. snijden-snijd- hij snijdt

De 2e persoon enkelvoud, jij, is verwarrend. In de gewone vorm komt er een -t achter de stam, in de vragende vorm laat je die weg.
‘Jij loopt naar huis’, ‘Loop jij naar huis?’ ‘Jij snijdt nu meteen het vlees’, ‘Snijd jij nu meteen het vlees?’

Het vinden van de stam is meestal eenvoudig. Je laat gewoon de uitgang -en weg. Let wel even op de onderstaande regels.

  • Bij dubbele medeklinkers laat je de tweede weg. Klikken-klik, vallen-val, mokken-mok
  • Werkwoorden met een -t in de stam krijgen geen extra -t in de jij- en hij-vorm. spitten-spit-hij spit
  • Bij werkwoorden met alleen een -n op het einde wordt alleen die weggelaten. slaan-sla-hij slaat

Probeer zelf maar eens zinnen te maken